Karel D’huyvetters, God is groter. Het testament van Spinoza. Werchter: Uitgeverij
Coriarius, 2019, isbn 9789082602197, 36 blz.
In een volgend blog zou ik
mijn leeservaring en recensie brengen. Ik heb daarover nog even geaarzeld, maar
hier breng ik dan toch mijn leeservaring en opmerkingen. Zoals
uit de titel van dit blog al blijkt is mijn eindoordeel nogal streng negatief.
Om
te beginnen: ik ben nu pas in staat mijn leeservaring te geven van dit boekje –
het is het eerste dat ik sinds een maand na mijn ziekte las en het was mij in eerste instantie
een genoegen. Ik vind het knap - en moedig ook - zoals Karel het “waagt” namens
Spinoza in zijn eigen woorden (hij geeft geen of nauwelijks letterlijke citaten
van Spinoza) de hoofdlijnen van Spinoza ruim samen te vatten. Ik zou het niet
kunnen en ook niet durven.
Het
werkje laat zich in één ruk goed lezen en geeft in het algemeen zo lijkt het een
helder beeld van Spinoza’s filosofie. Ik zeg "in het algemeen” en “zo lijkt het”,
want heb wel een aantal kanttekeningen – en niet zo geringe ook.
Ik
heb een aantal kritische opmerkingen, waarvan ik de zwaarste en ernstigste,
waarop ik mijn eindoordeel baseer, voor het laatst bewaar.
Waarom
Karel als titel koos “God is groter” is mij niet duidelijk geworden. ‘Groter’
dan wat? Groter dan de religieuze God? Zoekt hij een tegenstelling met het
islamitische Allahoe akbar (God is groot)? Op blz. 11 noemt hij God groter dan
de door de godsdienstige verbeelding verzonnen God, maar dat vind ik geen sterk
beeld. Voor mij blijft die titel daarom een raadseltje.
Op
blz. 10 schrijft Karel: “Ze [de godsdiensten] kunnen geen enkele zinvolle rol
spelen in de samenleving en behoren strikt tot de persoonlijke levenssfeer.” Hier
spreekt Karel voor zichzelf en niet voor Spinoza, die immers wel degelijk een
maatschappelijke rol van betekenis zag voor de godsdiensten die kunnen
bijdragen tot de gehoorzaamheid van de bevolking aan de staat, zoals hij in de
TTP en ook de TP uitlegt.
Op
blz. 20 legt hij Spinoza het begrip “natuurlijke selectie” in de mond en laat
hij hem zeggen dat daardoor de “enorme diversiteit van soorten” ontstond. Dat
had hij niet moeten doen: alsof Spinoza de ontdekking van Charles Darwin
voorzag. Ook als eventuele knipoog waarmee hij dan zou aanduiden dat Darwins
leer prima in Spinoza’s wereld- en natuuropvatting past, vind ik die
opmerkingen niet geslaagd.
Op
diezelfde blz. 20 speelt hij met de gedachte dat er op elk moment ontelbare
mogelijkheden zijn – en dat de dingen dus anders geweest hadden kunnen zijn;
hetgeen hij vervolgens weer ontkent: want “er is maar één geschiedenis” en “het
universum dat er nu is en voortdurend verandert, is het enige dat werkelijk
bestaat." Die gedachte van telkens “ontelbare mogelijkheden” vind je uitdrukkelijk niet bij
Spinoza.
Dan
kom ik nu op mijn hoofdbezwaar tegen Karels tekst. Heel vaak, op wel vijftien plaatsen,
kom je in enige vorm zijn bewering tegen dat God - of de substantie - en het
universum equivalent zijn. Wel 15x! En dit is volstrekt niet hoe Spinoza
hierover dacht. Eenmaal heeft Spinoza het over het universum: in brief 64 aan
Tschirnhaus, waarin hij als voorbeeld van een middellijke oneindige modus in de
uitgebreidheid geeft: facies totius
universi. Wat hij in het scholium bij lemma 7 in zijn zgn. kleine fysische
intermezzo tussen de stellingen van 2/13 en 2/14, schrijft over dat de totale wereld
of natuur als een enkele individu kan worden gezien, welks delen, d.w.z.
lichamen, op oneindige wijze wisselen zonder een verandering van het gehele
individu, zou je kunnen lezen alsof hij het daar over het universum heeft. Maar dat
is bij hem dus niet hetzelfde als God. Het universum bestaat uit delen, God of
de substantie is ondeelbaar. God is de natura
naturans, het universum behoort tot de natura
naturata. De laatste is ‘in’ God, maar is niet helzelfde als God. Hier
maakt Karel, die dit vergaande onderscheid niet lijkt te zien, zo’n
fundamentele vergissing en dat telkens met nadruk weer herhaald, dat ik moet
concluderen dat hij niet namens Spinoza spreekt, waar hij dat – in zijn
overmoed – wel pretendeert. Een jammerlijk grote fout.
[later, 25-1-2020, toegevoegd:]