woensdag 7 november 2018

Jakob Böhme (1575-1624) vergeleken met #Spinoza door Henri More en Friedrich Jacobi

[SpinozaLibertasPhilosophandi.html]

Toen ik in mijn eerste blog, dat van 2 november 2018, in de reeks "Jakob Böhme (1575 - 1624) vergeleken met Spinoza,” een literatuuroverzicht maakte van auteurs die zich hiermee hadden bezig gehouden, was ik vergeten ook op te nemen het hoofdstuk van
• Carlos Gilly, “Böhme en Spinoza of de verbazingwekkend nauwe relatie tussen atheïsme en theosofie,” in: Cis van Heertum (red.), Libertas philosophandi. Spinoza als gids voor een vrije wereld. Amsterdam: In de Pelikaan, 2008, pp. 184 – 207

Ik had over dat boek en hoofdstuk geblogd, maar was het vergeten en ook bij de Duitse Spinoza Bibliografie – mijn geheugenhulp - was het niet opgenomen.

Drie jaar later heeft Carlos Gilly zijn oorspronkelijk in het Duits geschreven hoofdstuk, nogmaals als artikel gepubliceerd:

• Gilly, Carlos, 'Oppositissimorum ingeniorum conspiratio et consensus': Die Bezichtigung des Atheismus gegen Böhme und Spinoza. in: La centralità del dubbio. Un progetto di Antonio Rotondò. A cura di Camilla Hermanin e Luisa Simonutti, Firenze: Olschki, 2011, vol. II, pp. 819-835. [PDF - ook op de academia.edu-pagina van Carlos Gilly, maar daarbij wordt de vindplaats niet aangegeven. Die wordt weer wel gegeven in de Spinoza Bibliografie en is ook te vinden op de Carlos Gilly BIO-BIBLIOGRAFÍA, waarbij de PDF’s van Gillu’s artikelen weer op een andere pagina gegeven worden – om het makkelijk te maken…].

De Duitse Spinoza Bibliografie tekent erbij aan: “Zitiert einen Bericht Johann Christoph Sturms über einen familiären Grund für Spinozas Abwendung von Judentum und Religion (S. 832-834).” Daarover wil ik hier en nu niet hebben; ik schreef erover in het blog van 28-06-2008: “Een beslissende gebeurtenis in Spinoza's leven?” en kom er wellicht later nog eens op terug – hier gaat het me om de vergelijkingen die gemaakt werden tussen Böhme en Spinoza; en Gilly brengt daarover e.e.a. aan, min of meer in aanvulling op
Sarah Huton, “Henry More and Jacob Boehme.” In: S. Hutton (Ed.), Henry More (1614–1687) Tercentenary Studies: with a biography and bibliography by Robert Crocker. Kluwer Ackademic Publishers, nu Springer Science & Business Media, 1990 [1989], pp. 157 – 171 – books.google
Ik haal de eerste alinea’s van haar hoofdstuk naar binnen
 
En vervolgens neem ik uit Gilly’s artikel de volledige titel over van
Henry More, Philosophiae Teutonicae Censura: sive Epistola privata ad anicum, quae responsum complectitur ad quaestiones quinque de Philosopho Teutonico Jacobo Behmen illiusque Philosophia, ab Autore Latine reddita, [1670, 1682, 73 pagina’s]

[vetdruk van mij. Ik doe dit, daar je vaak leest dat Hegel Böhme als Philosophus Teutonicus zou hebben aangeduid, maar Hegel verwees ernaar dat hij door sommigen zo werd genoemd; één daarvan is dus de Oxford Platonist Henry More]

 Het bovenvermelde hoofdstuk van Carlos Gilly ontekte ik via het boek waar Ferdie Fluitsma me op wees:

Wilhelm Kühlmann & Friedrich Vollhardt (Hrsg.), Offenbarung und Episteme: Zur europäischen Wirkung Jakob Böhmes im 17. und 18. Jahrhundert. Walter de Gruyter, 2012 – books.google

En daarin vooral het hoofdstuk van Eric Achermann, "Fromme Irrlehren. Zur Böhme-Rezeption bei More, Newton und Leibniz", p. 313 – 361. In voetnoot 144 schrijft hij: “Zu Mores Behauptung einer überraschenden Koinzidenz zwischen Böhme und Spinoza, vgl. Carlos Gilly:” [volgt bovenstaand hoofdstuk]

Je kunt er lezen over hoe Herwech, Hinckelmann, Colberg, Wachter, Budde en Poiret beweren dat “Kabbala, Spinoza und Böhme im Grunde dasselbe wollen.” Teveel om hier allemaal te behandelen. Ik volsta met de verwijzing naar dat boek en vooral dat hoofdstuk, waaruit één kritisch citaat over Henry More voor hier genoeg zegt: "Kurz, More sucht und findet, was er seinem platonisierenden Christentum dienstbar machen kann. Zwischen Episteme und Offenbarung entwirft er eine seines Ermessens gangbare Mitte, deren Grenzen die Evidenz selbst zieht. Und so orientiert er sein apologetisches Bemühen konsequent an den Fixsternen von Vernunft und Erfahrung, die den modernen Menschen entweder hell leuchtend zum sicheren Hafen oder aber – Atheisten und Enthusiasten habt Acht! – vernebelt in die Irre leiten. Nur so lässt sich die paradoxe Behauptung einer verborgenen Übereinstimmung von Böhme und Spinoza erklären, die More in seinen Divine Dialogues entdeckt." [p. 343]
Hoewel het Tweede Deel van het boek “Die Wirkungsgeschichte Böhmes bis an das Ende des 18. Jahrhunderts” bespreekt, komt daarin de Pantheismusstreit en Friedrich Heinrich Jacobi. Niet voor. Voor hoe Jacobi van mening was: “Spinoza comes to be seen as much closer to the philosophus teutonicus Jacob Boehme,” kunnen we ons wenden tot
Frederick Burwick (Ed.), The Oxford Handbook of Samuel Taylor Coleridge. Oxford: OUP, 2012, p. 479 – books.google

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten