woensdag 28 augustus 2019

Julius de Boer (1873-1966) Bollandiaan die meermaals over #Spinoza schreef

Tot mijn verbazing is er geen enkele pagina over deze Julius de Boer, (zenuw)arts/psychiater, dichter en filosoof te vinden. Ook de DBNL die een pagina over hem heeft, geeft geen biografische informatie. Dat ik in de kop van dit blog zijn levensdata kon geven, lukte mij na veel zoekwerk, voornamelijk in het kranten en tijdschriften-overzicht van de KB, Delpher genaamd. Ik geef enige berichten die ik uit Delpher opdiepte, zoals
 
Hij was dus psychiater in Zeist, schreef diverse monografieën (waarover zo dadelijk meer), en was, zoals blijkt uit het volgende bericht, getrouwd met schilderes Cor de Boer-Sinia. Zie hier en hier zijn genealogie. Uit de laatste blijkt dat hij en Cornelia Maria Sinia in 1905 getrouwd zijn.
 
Toen ik deze gegevens had, zag ik dat de DBNG, Digitale Bibliografie Nederlandse Geschiedenis, deze pagina over hem had: ze vermelden al zijn namen, dat hij medicus was en dichter. Maar dat laatste is niet genoeg.

Zoals uit deze titelpagina blijkt, maakte hij een aantal jaren deel uit van de redactie van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte (ook bij de 1e jaargang stond hij vermeld- en ook nog in de 16e jg. [cf. PDF]).
Hij overleed op hoge, 92-jarige leeftijd, zoals uit deze berichten blijkt
Hij was ook dichter, zoals blijkt uit de bovenvermelde DBNL-pagina en uit de volgende pagina die ik als enig voorbeeld toon:
Een bundel van hem draagt de titel:
Julius de Boer, De schoone verbeelding - 1905

Dan kom ik nu bij de aanleiding voor dit blog. De Hollandia-drukkerij te Baarn, gaf diverse series uit van brochures/boekwerkjes over filosofen, onder de titel "Groote Denkers", waarvan vele door Julius de Boer werden geschreven. Deze konden apart worden aangeschaft of ook ingebonden per serie.
Die derde serie van "Groote denkers", waaronder dus Spinoza, verscheen in 1911 en staat gedigitaliseerd bij de DBNL.
 






















Met daarin dus het katern over Spinoza met deze motto-pagina
Een jaar eerder verscheen van hem in het Tijdschrift voor Wijsbegeerte het artikel
Julius de Boer, "Van Substantie tot begrip," In T. voor Wijsbegeerte, Jg 3, 1910, p. 199 - 235. Cf. archive.org
Ook in dat interessante artikel schrijft hij uitgebreid over Spinoza.
Binnen de Ver. Het Spinozahuis werd over zijn Spinoza-teksten gezegd:

In het Tijdschrift voor Wijsbegeerte is wel zijn boekje over Descartes uitgebreid besproken, maar is over zijn boekje over Spinoza niets te vinden.
 
Het is wel nuttig te weten dat hij aanhanger was van Bolland en dus een neohegeliaan. De KB heeft een pagina over "Het leven van Gerard Bolland, 1901-1922". Daarin is te lezen dat Julius de Boer behoorde tot de Bollandisten van het eerste uur en dat hij secretaris werd van het in 1904 opgerichte Collegium logicum hegelianum dat Bollands colleges ging uitgeven. Hoe hij Spinoza door een Hegeliaanse bril leest, blijkt uit een passage als de volgende in zijn boekje over Spinoza:


Hoe ontbeert overigens het Substantiebegrip door het geheele stelsel heen alle persoonlijkheid, ja, alle geestelijkheid. In SPINOZA'S wijsbegeerte wordt de Godheid of Substantie, het oneindige, onvergankelijke of eeuwige Zelfstandige, over 't algemeen buiten het persoonlijke geplaatst. De Substantie wordt het Absolute genoemd, doch gesteld als het objectieve, dat het subjectieve volkomen buiten zich sluit. De Substantie-God van SPINOZA heeft geen zelfbewustzijn: kent zich zelven niet. Is hij echter wel volstrekt of volkomen te noemen buiten het subjectieve, buiten het zelfbewustzijn?— Het „oneindige denken", het „bij zichzelf" of „oorzaak van zichzelf" zijn, doet toch ook die zijde der Spinozistische Substantie vermoeden, die men redelijkerwijs niet vermag te ontkennen zonder hare volstrektheid te miskennen. In het geheel of heelal der Natuur-Substantie is de voile werkelijkheid te begrijpen, die ook het persoonlijke, het subject, het Ik, tot moment heeft. Heeft zij zelfs niet in den Geest tot hare volkomenheid te komen? Heeft het volstrekte object der Substantie zich niet te subjectiveeren, hebben object en subject zich niet te vereenigen en zich op te heffen tot de absolute Idee? [p. 45]
Zo gaat hij nog een poosje op dezelfde wijze voort. Dit leek mij voldoende als voorbeeld.
 
Het enige boek dat Google langs liet komen dat iets meedeelde over Julius de Boer, was dat van
Marjet Brolsma, 'Het humanitaire moment': Nederlandse intellectuelen, de Eerste Wereldoorlog en het verlangen naar een regeneratie van de Europese cultuur (1914-1930). Uitgeverij Verloren, 2016 – books.google; zij schreef op p. 133-134 (ik citeer zonder de verwijzingen):

dat niet alleen het neokantianisme afwijzend stond ten opzichte van de metafysica en het vage gespeculeer dat de Nederlandse ‘hegelarij’ kenmerkten, maar dat op hun beurt ook de neohegelianen zich uitdrukkelijk afzetten tegen het neokantianisme, dat, door de eenzijdige gerichtheid op de wijsgerige grondslagen van de wetenschappen, in hun ogen een lippendienst bewees aan de natuurwetenschappen die rond 1900 een 'Tweede Gouden Eeuw' beleefden. Zij meenden dat er voor de filosofie een grotere taak was weggelegd dan de kentheorie en dat zij weer in ere moest worden hersteld als bron van een allesomvattende en boven alle disciplines uitgaande synthese, die eenheid bracht in het aanvankelijk versplinterde wereldbeeld. Zo verklaarde Bierens de Haan bijvoorbeeld dat het 'wassend wijsgeerig bewustzijn van het eigen tijdsgewricht als reactie op 'de voorafgaande tijd van alleenheerschappij van de exacte studies' moest worden gezien en serveerde de dichter en Bolland-adept Julius de Boer (1873-1966) in zijn brochure De beteekenis van de Hegelstudie voor onzen tijd (1915) alle 'neo-Kantianen en kennis-critici' af als 'achterblijvers die geen oog hadden voor de problemen en uitdagingen van de eigen tijd.

Zie hoe hij een citaat van Wolfgang Windelband over wie ik onlangs een blog had, op zijn titelpagina plaatste.
 

1 opmerking:

  1. Onder meer het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde leren verder dat De Boer in 1905 te Leiden werd bevorderd tot arts. Dat jaar werd hij benoemd tot Officier van Gezondheid 2de klasse L, om in 1913 te worden bevorder tot OvG 1ste klasse. Hoelang hij als militair geneeskundige heeft gewerkt is mij niet duidelijk: in 1924 wordt hij genoemd als reservist, maar in 1917 verschijnt van zijn hand in het Militair-Geneeskundig Tijdschrift een artikel 'Desertie en vagabondage', wat in elk geval duidt op betrokkenheid. In 1907 is hij woonachtig te Naarden. In 1909 startend als medewerker van "Vox medicorum; orgaan tot het behartigen van de belangen der geneesheeren in Nederland en zijne koloniën en van allen, die tot de geneeskunde in betrekking staan" is zijn woonplaats ook Naarden; van 1910 tot 1921 woont hij in Haarlem en van 1921 tot 1925 in Nijmegen. Een advertentie uit 1925 situeert hem als "zenuw-arts, uitsluitend voor neurologie en psychiatrie" te Wassenaar, "Neemt rustige zenuwpatiënten en herstellenden in verpleging te HUIZE KLIM-OP (Directr. Zr. Timmers) onder zijne behandeling"; Vox Medicorum geeft tot 1934, wanneer zijn medewerking ophoudt, als zijn woonplaats Wassenaar. Als hij zich eind 1938 vestigt in Zeist, is hij afkomstig uit Soest. In 1939 promoveert hij te leiden op het proefschrift "Polaire affectieve functies. Nieuwe grondslag voor een classificatie van persoonlijkheidstypen". Een druk man.

    BeantwoordenVerwijderen