vrijdag 27 oktober 2017

Mooie Spinoza-gedichten van de Groningse dichter Atze van Wieren

Op woensdag 18 oktober 2017 had ik het blog: Groningse dichter Atze van Wieren ontdekte Spinoza. "Ja, er is veel eeuwigheid in mij.” In dat blog citeerde ik uit een artikel in Dagblad van het Noorden, waaruit bleek dat de dichter ooit door Spinoza gegrepen werd.
Ik heb zijn nieuwe dichtbundel, Eeuwig leven [Uitgeverij IJzer, 2017 – isbn 9 789086 841578 - 80 blz. €14,50], direct aangeschaft en met genoegen gelezen. Van Wieren schrijft geen ingewikkelde, geen hermetische gedichten – ze zijn goed te volgen - maar overstijgen ruimschoots elk gelegenheidsdichten. Je merkt dat je met een echte dichter van doen hebt. En je proeft de ouderdom, je proeft het terugdenken en herdenken, zonder sentimentele weemoed, ja, je proeft het Spinozistische, ook in gedichten waarin niet Spinoza’s naam voorkomt.
De twee gedichten waarin wél Spinoza’s naam genoemd wordt, mag ik van dichter en uitgever in dit blog opnemen. Hierdoor kunnen ze aan het Corpus Poeticum Spinozanum worden toegevoegd.

 
Roepen
Bars vult een brede vader
het toneel, dat spreekt voor zich,
welke zoon kent hem niet.
Er is de jonggestorven moeder,
zomaar in een winternacht;
ik kon roepen wat ik wou.
God in mij werd alsmaar kleiner,
tot hij – Spinoza zij geloofd -
herrees en alomvattend schijnt te zijn.
Aldoor groter het heelal,
er is geen einde, geen begin,
ik ben een oogwenk nergens tussenin.
Atze van Wieren

uit de bundel Eeuwig leven van Atze van Wieren
(uitg. IJzer, Utrecht, isbn 9 789086 841578)


Vrij naar Spinoza
Op een zondagmorgen aan zee
zitten dromen. Ik zie
tussen de helm een diertje,
haast te klein voor het oog,
het leeft, het wil ergens heen.
Overdenk hoe zijn bestaan
met dat van mij te maken heeft.
Keert later iets van mij terug
dat kruipt door het zand, dat een keel
opzet in de schreeuw van een meeuw?
Alles is zo wit om mij heen:
de branding, het zand, de strepen
aan de hemel, wit de wuivende
pluimen van het helmgras en wit
het licht op de kim.
De zon schijnt, alles heeft haar lief,
zoals zij liefheeft de zonnen
die wij op aarde niet kennen,
zoals het beestje aan mijn voet
van mij geen weet heeft.
Alles in alles en alles als één.
Het is heel licht om mij heen.
Ik weet van sterren, van stelsels,
van loeiende vuren, een smeltkroes
met sintels en gaten zwart.
Niets leeft en sterft voor zichzelf
alleen. Alles in alles en alles
in één: de kosmos, het allemachtig
eeuwig orgaan. Hij ademt,
hij leeft, hij hoeft nergens heen.
Atze van Wieren

uit de bundel Eeuwig leven van Atze van Wieren
(uitg. IJzer, Utrecht, isbn 9 789086 841578)

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten